5 recente vragen

Dossiers

Diervoer

Voor een verantwoord en uitgebalanceerd dieet

Voer voor dieren moet hoofdzakelijk aan dezelfde eisen voldoen als het voedsel voor mensen. Dat wil zeggen voedzaam, smakelijk en veilig. Nog meer dan bij humane voeding is een nauwkeurig uitgebalanceerd dieet bij dieren van belang. Het streven is immers optimale productie van goed, lekker en veilig vlees. Eisen aan diervoeders zijn vaak strenger dan die aan de humane voeding.

Naar boven

Wat is het?

In Nederland wordt zo'n 25 miljoen ton diervoer geproduceerd (ruwvoer zoals gras en snijmais buiten beschouwing gelaten). Van deze 25 miljoen ton bestaat circa 13 miljoen ton uit mengvoeders.
Door onderzoeken is per diersoort, leeftijd en gebruiksdoel nauwkeurig bekend wat de voerbehoefte is. Een juiste balans tussen bestanddelen is essentieel. Overschot en tekort moeten worden voorkomen. Bijvoorbeeld om dieren niet te vet te laten worden en optimaal te laten groeien.

In de praktijk werken veehouder, voerleverancier en onderzoekers nauw samen om in ieder stadium een zo efficiënt mogelijk voerrantsoen samen te stellen. Teveel voer leidt tot overbodige kosten en meer mest, terwijl een tekort leidt tot lagere groei.

Om de kostprijs te beperken en omdat de spijsvertering van dieren toch wel afwijkt van die van mensen, worden vaak bijproducten uit de levensmiddelenindustrie verwerkt. Voor menselijke voeding ongeschikte ingrediënten kunnen zo toch bijdragen aan een hoogwaardig voedzaam stukje vlees.
Belangrijke voorbeelden zijn bietenpulp (suikerindustrie), bierbostel (restproduct bierbrouwerijen) en stoomschillen (resten van friet- of chips-producenten). Het gaat hier om bijna 5 miljoen ton vochtrijke grondstoffen. 

Ook levensmiddelen die mensen niet meer willen of kunnen eten, kunnen vaak nog goed worden benut als diervoeding. Te denken valt aan levensmiddelen die supermarkten niet hebben verkocht of koekjes die niet aan kwaliteitseisen van de fabrikant voldoen. Vooral in varkensvoer zijn deze producten goed te verwerken, zonder overigens concessies te doen aan de kwaliteitseisen.

Naar boven

Samenstelling diervoeders

Goede diervoeding bestaat uit diverse basis ingrediënten.
Dat zijn eiwitten, energie, mineralen, vitamines en andere essentiële of nuttige kleinere bestanddelen. Per diersoort en per leeftijd verschilt de samenstelling. Net zoals een topsporter een ander dieet heeft dan een kind op de basisschool of de voeding voor een 80-jarige. Iedereen heeft echter dezelfde bouwstenen nodig. De hoeveelheid en de verhouding tussen de ingrediënten varieert.

Eiwitten

Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren.
Voor een diervoerproducent en een veehouder is het de kunst om de ingrediënten zo te kiezen dat de samenstelling zo goed mogelijk aansluit bij de behoefte van het dier. Dat komt uiteindelijk de vleeskwaliteit ten goede.
De keuze van voeringrediënten hangt af van de diersoort en de leeftijd. Een tekort van een bepaald aminozuur kan worden aangevuld met specifieke toevoegingen, terwijl een overmaat niet leidt tot extra groei en dus onnodig de kosten verhoogt.
Naast voertechnische aspecten kent ieder product z´n eigen prijsniveau. Dit fluctueert afhankelijk van de marktomstandigheden in de wereld. Voerproducenten en veehouders puzzelen steeds opnieuw om aan alle eisen tegemoet te komen. Ook wensen van consumenten worden meegenomen in de keuze van het voer.

Dierlijke en plantaardige eiwitbronnen

Er zijn dierlijke en plantaardige eiwitbronnen die in diervoeder kunnen worden gebruikt. Nadat in Groot-Brittannië de BSE-uitbraak (gekke koeienziekte)  bleek terug te voeren naar verkeerde verwerking van dierlijke eiwitten tot voer voor runderen, is gebruik van dierlijk eiwit verboden.
Sinds 1989 mag in Nederland geen diermeel van herkauwers (runderen, schapen en geiten) worden verwerkt in voer voor herkauwers. In 1994 is dit verbod uitgebreid tot een verbod van de verwerking van alle eiwitten van zoogdieren. Sinds eind 2000 is dit verbod ook van toepassing op ander diervoer.
Uiteindelijk leidde het tot een algeheel verbod op het gebruik van dierlijk eiwit in alle veevoer in de EU. Ook voor varkens en pluimveevoer moest overgestapt worden naar plantaardige eiwitbronnen. Vóór het verbod werd in Nederland circa 1,1 miljoen ton dierlijke eiwitten in diervoer gebruikt. In Europa was dat zo'n 15 miljoen ton. Dit moest worden vervangen door plantaardige bronnen. 
Anno 2011 werkt de EU aan versoepelingen van het diermeelverbod.

De samenstelling van plantaardig eiwitten sluit minder goed aan bij de behoefte van dieren. Soja-eiwit komt qua samenstelling het dichtst in de buurt. Door het EU-verbod op dierlijke eiwitten steeg het sojagebruik met naar schatting 10%. Daarnaast worden indien nodig specifieke aminozuren toegevoegd.
Op dit moment wordt onderzocht of dierlijke eiwitten onder voorwaarden weer kunnen worden toegelaten in voer voor varkens en pluimvee. Deze dieren zijn van nature immers alleseters.

Productie van plantaardig eiwit
De belangrijkste bronnen van plantaardige eiwitten zijn oliehoudende zaden zoals koolzaad, lupinen, soja, palmpitten en zonnebloempitten.
De olie uit deze zaden wordt gebruikt voor menselijke consumptie als spijsolie, voor cosmetische producten, natuurlijke smeerolie en ook voor biobrandstof (biodiesel). Na het uitpersen van de olie blijft een korrelig product achter. Afhankelijk van de manier van verwerken zijn dat schilfers of schroot. Meestal wordt de naam afgeleid van het zaad waaruit het is gemaakt, bijvoorbeeld sojaschroot, palmpitschilfers of raapschroot.
Diverse oliehoudende zaden leveren eiwitten met verschillende aminozuren.

Vanwege de gunstige samenstelling van het product wordt in Nederland per jaar 2,8 miljoen ton sojaschroot gebruikt voor diervoeder.
Een klein deel wordt rechtstreeks geïmporteerd uit Brazilië en Argentinië. Het meeste wordt ingevoerd als volledige boon, waar de olie wordt uitgeperst. Circa 20% van het gewicht is olie, 80% is meel.
In koolzaad en zonnebloemzaad zit juist weer veel meer olie: rond 42-44%. De prijs van de oliën is 2-4 keer die van het meel. Door de variaties in prijs en op grond van de voedingseigenschappen wordt steeds opnieuw berekend welke ingrediënten het best in het voer passen.
Voor soja-meel is het bijvoorbeeld:
- voor rundveevoeders tussen de 8 en 22%;
- voor varkensvoeders tussen de 9 en 19%;
- voor pluimveevoeders tussen de 12 en19%.

Energie in voer
Naast eiwitten als bouwstenen voor het lichaam heeft een dier energie nodig om te groeien. Hiervoor kan worden gekozen uit veel grondstoffen.
De belangrijkste groep bestaat uit (voer)granen. In de Europese Unie wordt jaarlijks 290 miljoen ton geproduceerd, waarvan 170 miljoen ton voor diervoeder. Voor menselijke consumptie en export blijven nog miljoenen tonnen beschikbaar. Tegelijkertijd kunnen bijproducten uit de levensmiddelenindustrie uitstekend worden gebruikt als diervoeder.

Energieleverende ingrediënten bestaan onder andere uit (voer)granen en graanbijproducten die overblijven in de zetmeel- en levensmiddelenindustrie. Ook kan een mengvoerbedrijf kiezen voor eiwitproducten waarin plantaardige olie is achtergebleven en die zodoende veel energie bevatten.
Verder is melasse een geliefde grondstof in diervoeder. Dit is een energierijk bijproduct uit de suikerindustrie. Dieren vinden het lekker en bij het maken van voerkorrels plakt het de verschillende ingrediënten aan elkaar.

Herkauwers als bijzondere groep
Herkauwers, zoals runderen, schapen en geiten, kunnen goed planten verteren die voor andere dieren en de mens niet of nauwelijks bruikbaar zijn. Gras, hooi en snijmaïs zijn de meest gebruikte ruwvoeders.
Ook restproducten van de suiker-, zetmeel-, en bierindustrie zijn zeer goed bruikbaar als voer voor runderen, geiten en schapen.

Naar boven

Nederlandse situatie

De Nederlandse diervoedersector bestaat uit zo'n 1.800 bedrijven. Dat zijn onder meer producenten van mengvoeders, handelaren en leveranciers van grondstoffen. In de sector werken 9.000 mensen en de omzet wordt geraamd op 4 miljard euro.

De omvang van voerproducerende bedrijven varieert sterk.
De drie grootste bedrijven in Nederland produceren bijna 2 miljoen ton per jaar, terwijl de kleintjes soms maar 30.000 ton maken.
Vanwege specialisatie produceren sommige bedrijven slechts voor één of twee diersoorten. Dit komt ook omdat bedrijven door kwaliteitseisen niet zomaar in één fabriek voor verschillende dieren voer mogen maken. De samenstelling van varkensvoer is immers anders dan die van runderen of kippen.

De Nederlandse diervoedersector is om meer redenen toonaangevend.
Traditioneel is veel gedaan aan onderzoek door Wageningen Universiteit en Research Centre en het beschikbaar stellen van die kennis.
Ook de coöperatieve structuur van de bedrijfstak zorgde voor het overdragen van informatie en kennis.
Daarnaast heeft Nederland altijd al een relatief grote levensmiddelenindustrie gehad, onder door de importmogelijkheden via de grote havens. Restproducten werden al in een zeer vroeg stadium gebruikt als grondstoffen voor diervoeders, terwijl het elders in de wereld nog als afval werd weggegooid.

Ook technisch is de Nederlandse diervoedersector beroemd.
Om voer te produceren zijn machines en installaties nodig die in Nederland worden gemaakt. Nederlandse molens, persen en transportsystemen worden geëxporteerd naar alle uithoeken van de wereld.
Complete mengvoerfabrieken worden in pakketjes verscheept en elders in elkaar gezet. Zo kan ook in verre streken op een efficiënte manier diervoer worden gemaakt.
Nederland draagt wereldwijd ook via deze bedrijfstak veel bij aan de voedselproductie.

Naar boven

Internationaal

In de EU bedraagt de productie van mengvoer anno 2010 ruim 150 miljoen ton.
Per land kunnen de werkwijze en de voersamenstelling sterk wisselen, bijvoorbeeld omdat de gemiddelde grootte van veebedrijven varieert.
In het voormalig Oost-Duitsland zijn na de Duitse eenwording grotere varkensbedrijven overgebleven. Daar tegenover staat een land als Polen waar juist nog erg veel kleine boerenbedrijven zijn. Uit kostenoverwegingen zal een voerproducent altijd proberen lokale grondstoffen te gebruiken. In Polen is dat veel koolzaad; in Hongarije maïs.
Zuidelijker is de teelt van zonnebloemen mogelijk. Ook daarvan worden producten in diervoeders verwerkt.
Zo kent de internationale diervoederbranche een grote diversiteit.

Naar boven

Veel gebruikte termen

Aardappelstoomschillen blijven over bij de verwerking van aardappelen tot frites, puree en andere aardappelproducten. Aardappelen worden in de fabriek gewassen. Daarna worden de zetmeelhoudende schillen eraf gestoomd.

Bierbostel
is het bijproduct van de bierbrouwerij. De basisgrondstof van bierbostel is brouwgerst. Deze wordt tot ontkieming gebracht, waardoor mout ontstaat. Een belangrijk deel van het zetmeel wordt omgezet in moutsuikers.

Biest
is melk van het moederdier na de geboorte van het jong. Het is zeer voedzaam en bevat veel afweerstoffen tegen ziekten. 

Bietenpulp is één van de producten uit de winning van suiker uit suikerbieten. De pulp komt alleen beschikbaar tijdens de bietencampagne van september tot en met december. Suikerbieten worden in de fabriek gewassen en gesneden. Van gesneden bieten, het snijdsel, wordt suiker onttrokken. Wat overblijft is natte pulp. Soms wordt het vocht eruit geperst (perspulp) of wordt het gedroogd en verkocht als pulpbrokjes.

Biks is een benaming voor krachtvoer. Hij wordt gebruikt voor voer voor konijnen en cavia's, maar ook voor varkens, paarden en rundvee. Biks is er in korrels, maar ook voor grotere diersoorten als brok.

Brok
is in brokjes geperst voer. Het is te koop in zakken. De meeste veehouders kopen het in bulk in en slaan het op in een silo, omdat ze voor hun dieren grote hoeveelheden brok nodig hebben.

Brijvoer
is vloeibaar voer voor varkens. Het bestaat uit mengvoer, bijproducten uit de voedingsindustrie en water. Deze worden gemixt tot een homogene pap.

Hooi is gedroogd gras. Het wordt opgeslagen in een schuur; vroeger gebeurde dat in de bekende beeldbepalende ‘hooiberg'.

Groenvoer is voer dat ‘vers van het land' aan de dieren wordt gevoerd, zoals gras, maïs of klaver.

Kalvermelk is melk voor kalveren die is gemaakt van melkpoeder, aangelengd met water. 

Korrelvoer is voer dat in korrels is geperst. 

Krachtvoer is koeienvoer dat helpt om de melkproductie te stumuleren. In krachtvoer zitten in geconcentreerde vorm extra voedingstoffen, zoals eiwitten. Krachtvoer wordt meestal gegeven in de vorm van geperste brokjes. Het wordt veelal gemaakt van bijproducten uit de voedings- en genotmiddelenindustrie. Ook tapioca wordt verwerkt in krachtvoer.

Kuilvoer is ingekuild gras of ingekuilde maïs. Het gras en de maïs worden na de oogst op de boerderij op een grote hoop onder plastic bewaard. De maïs wordt tijdens de oogst met een maïshakselaar verhakseld tot kleine stukjes. Graskuil wordt vooral in het voorjaar gemaakt, maïskuil in de herfst.

Lijnkoeken is diervoeder dat is gemaakt uit het bijproduct dat overblijft nadat de olie uit zaden is geperst, onder andere vlaszaad (lijnzaad) en koolzaad. Dat bijproduct werd vroeger geperst tot koeken. Lijnkoeken worden al vele eeuwen aan het vee gevoerd, voornamelijk aan rundvee.

Maïsgluten is een eiwitrijk bijproduct van de winning van zetmeel uit maïs. Het wordt vooral verwerkt in voer voor rundvee.

Melasse
is een donkerbruine stroperige vloeistof, die overblijft van de suikerwinning. Melasse smaakt erg zoet. Het wordt gebruikt als bindmiddel en smaakmaker voor brokjes.

Muesli is voer voor knaagdieren, zoals de cavia, de hamster en het konijn. Maar ook voor paarden is er mueslivoer. Voor mueslivoer worden wel zestig verschillende grondstoffen gebruikt, zoals rode Bordeauxmaïs, gepofte rijst en gerst, rozenbottels, zonnepitten, gedroogde appelschijfjes, wortel en banaan. Ze zijn de basis voor honderden verschillende recepten.

Natte bijproducten
komen deels als bijproduct van de graan- en de aardappelverwerkende industrie en de suiker- en zuivelindustrie vandaan en heten dan natte of ook wel ‘vochtrijke' bijproducten. Jaarlijks komt zo'n 5 miljoen ton vochtrijk bijproduct beschikbaar. Zestig procent hiervan is bestemd voor de varkenshouderijbedrijven. De rest gaat naar rundveebedrijven. Een deel van de natte bijproducten (onder andere bierbostel en perspulp) gaat rechtstreeks naar een varkensbedrijf of naar een rundveebedrijf. De rest wordt in een mengvoederfabriek gemengd met andere grondstoffen tot brijvoer of in brokken geperst.

Perspulp is een bijproduct van de suikerbiet. De suikerbieten worden in de fabriek in reepjes gesneden en vervolgens wordt er de vloeibare suiker uitgehaald. Wat overblijft, is natte pulp. Daar wordt het vocht uitgeperst, wat overblijft is ‘perspulp'. 

Ruwvoer is een benaming voor stengelig, vezelig voer, bijvoorbeeld gras, hooi, snijmaïs en stro. Het voer van onder andere herkauwers, zoals de koe en de geit, moet voor een groot deel bestaan uit ruwvoer. Dat heeft te maken met het magenstelsel van deze dieren. Ruwvoer is nodig om de grootste maag, de pens, goed te laten werken.

Sojaschroot is het bijproduct dat overblijft nadat de olie uit de sojaboon is geperst.

Strobrok is fijngemaakt stro dat in brokjes is geperst. Het wordt onder meer aan jonge vleeskalveren gevoerd. Strobrok is een welzijnsvoer. In stro zitten naar verhouding weinig voedingsstoffen maar de dieren beleven er 'plezier' aan. Ook bijvoorbeeld varkens krijgen soms stro, omdat het een verzadigd, en dus tevreden, gevoel geeft.

Tapioca is het meel dat wordt gemaakt uit de wortel van de cassave (maniok). Het wordt vooral in Thailand geteeld en verwerkt als diervoedergrondstof.

Vinasse is een kleverig bijproduct van de suikerproductie, dat gebruikt wordt als bindmiddel voor diervoeders.

Naar boven

Vlees in beeld

Uitgelicht

Over het Schmallenberg virus

Lees meer
Voor jongeren van 13 - 19 jaar