In alle bedrijfstakken speelt de maatschappelijke opdracht voor het beter of verder verduurzamen van de productie. Dat geldt ook het houden van vee en de productie van vlees.
De veestapel die nodig is voor vlees, benut natuurlijke grondstoffen. Als dat plantaardige (voer) of fossiele stoffen (energie) betreft, zijn die zeker niet onuitputtelijk. Het houden van dieren en de verwerken tot vlees leggen verder een zekere druk op het milieu.
Willen we generaties na ons dezelfde mogelijkheden bieden, dan moeten diverse vraagstukken onder ogen worden gezien en oplossingen worden gevonden. Dat is wat onder de noemer van verduurzaming van de productie op brede schaal in de Nederlandse vee- en vleessector gebeurt.

Vlees wordt overwegend als erg lekker ervaren, maar heeft bovendien een hoge voedingswaarde. Wereldwijd willen mensen vlees eten; zeker als de welvaart toeneemt, wat in een aantal grote economieën buiten de EU het geval is. De vraag voor komende jaren is hoe met de beschikbare natuurlijke bronnen de groeiende wereldbevolking verantwoord kan worden gevoed.
De Nederlandse vee- en vleessector besteedt veel aandacht aan een duurzame productie. Dat gaat over het bewust, en dus zuinig en efficiënt omgaan met natuurlijke grondstoffen, zoals water, de bodem en energie, maar ook met het milieu en met het dier dat centraal staat in de productie van vlees. Daarom wordt dierenwelzijn wel meegenomen als aspect van duurzame productie.
Duurzaamheid is een containerbegrip.
De VN definieert het als ‘het voorzien in behoeften van de huidige generatie, zonder het vermogen aan te tasten om te kunnen voorzien in behoeften van de volgende generaties.’ Kortom: laten we wat bewaren voor later…
Het gaat om het zodanig inrichten van de productieketen (van vlees) dat minder of liefst geen afwenteling plaatsvindt. Dat betekent dan: beperking van het belasten van het milieu, zuinig zijn op natuurlijke hulpbronnen zoals bodems, ecosystemen en delfstoffen en meegenomen wordt veelal nog de zorg voor het (welzijn van het) dier.
Dat duurzaamheidstreven wordt veelal uitgedrukt in goede zorg voor de 3 P’s: People, Profit en Planet.
Uitputting van de natuurlijke grondstoffen is een wereldwijd vraagstuk.
Nederland kan dat niet alleen op de schouders nemen, maar neemt wel een eigen verantwoordelijkheid. Sowieso zijn we ons al bewust van de situatie, maar we meten ook de vorderingen in eigen land.
Nederlandse overheidsdiensten bekijken de stand van zaken aan de hand van zogeheten duurzaamheidsmonitors. Zo is er de Monitor Duurzaam Nederland 2009 van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP).
Conclusie: de ontwikkelingen in Nederland op een aantal terreinen worden als ‘gunstig’ bestempeld, Dan gaat het om de ‘psychologische’ omstandigheden als de algemene gezondheid, het opleidingsniveau en het vertrouwen. De belangrijkste meer ‘fysische’ problemen spelen mondiaal, zoals de mogelijke klimaatverandering, de biodiversiteit en de uitputting van grondstoffen en daar zitten met name vraagstukken rond het houden van vee en de productie van vlees.
Nederland legt een zeker beslag op de hulpbronnen, toch is de bijdrage van Nederland aan mondiale vraagstukken gering. Zo blijkt Nederland maar 2% te benutten van de sojaproductie in Zuid Amerika.
Dat neemt niet weg dat duurzame productievormen in Nederland blijvende aandacht gaan vergen. Duurzaamheid zal geen verdienste meer zijn maar meer een maatschappelijke randvoorwaarde voor het houden van vee voor de productie van vlees.
Wat betreft de veehouderij vindt het streven naar verdere verduurzaming z’n weerslag in integrale ketensystemen met als uitgangspunt de goede zorg voor de dieren en aandacht voor de 3P’s.
Dat zijn houderijsystemen, die goed zijn voor People, Planet, Profit & Animal. Dat betekent ‘een veehouderij die met behoud van haar concurrentiekracht, produceert met respect voor mens, dier en milieu en omgeving en aandacht heeft voor effecten elders in de wereld’.
Nederland gaat in dat licht naar behoren voorop bij het verder verduurzamen van productieprocessen, in de vorm van ketengerichte initiatieven.
De landbouw- (en tuinbouw)sector heeft met de overheid en marktpartijen (FNLI, Nevedi en Vereniging Platform Hout) het convenant ‘Schone en zuinige Agrosectoren’ opgezet. Hierin heeft de sector zich geconformeerd aan concrete doelstellingen voor 2020, zoals:
- 2% energiebesparing per jaar.
- 30% broeikasgasreductie
- 200 Petajoule duurzame energie; uit co-vergisting van mest, vergisting van reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie, windenergie
Overheid en bedrijfsleven hebben ondertussen hun gezamenlijke streven naar verdere verduurzaming van de productie vastgelegd in het convenant ‘Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij’.
Hierin werken het ministerie van LNV en het IPO (provincies) samen met diverse partijen uit de sector (LTO (veehouderij), COV (vlees), NZO (zuivel), Nevedi (diervoer) en Rabobank en NGO’s (Dierenbescherming, Natuur en Milieu).
Zo liggen er breed gedragen afspraken rond het borgen van het proces naar verdere verduurzaming van de veehouderij in 2023.
Tot slot wordt nog door de hele sector samen gewerkt binnen het Platform Verduurzaming Voedsel. Met het ministerie van LNV werken hier vijf partijen samen: ZLTO (agrarische producenten), FNLI (levensmiddelenindustrie), CBL (Supermarkten) KHN (Horeca) en Veneca (Catering).
Ook de wetenschap en het onderwijsveld laten zich niet onbetuigd.
Kennis- en onderwijsinstelling Wageningen UR heeft met maatschappelijke en agrarische organisaties systemen voor integraal duurzame veehouderij ontwikkeld. Zo bestaat er bijvoorbeeld voor de:
- voor de varkenssector: Varkansen en Comfort Class stallen; en
- voor de rundersector: Kracht van Koeien en Courage.
Een producent heeft in de bedrijfsvoering duurzaamheid volledig centraal gesteld door samen te werken met verwante bedrijven.
De bedrijven zijn nu op één lokatie gevestigd en via leidingen verbonden. Zij leveren elkaar grondstoffen, energie en halffabrikaten. Zo besparen zij transport, tijd, grond- en hulpstoffen en ontzien het milieu.
In de praktijk besparen zij sterk op het gebruik van energie en op de uitstoot van CO2.
Tenslotte beperken ze productieverliezen, gebruiken ze bij- en restproducten en is het afvalmanagement gerationaliseerd.
Dierlijke vetten zijn goed bruikbaar als biobrandstof voor het winnen van energie. Elektriciteitscentrales hebben dit potentieel inmiddels ontdekt. Opwekking van energie in scheepsmotoren (groene energie) dan wel in (vracht)auto’s – als biodiesel - zal de komende jaren aan belang winnen.
Dierlijk vet is een goede grondstof voor biodiesel en draagt zo bij aan het verder verminderen van de uitstoot van broeikasgassen.
Ook wordt biogas gewonnen uit natte reststromen van dierlijke vetten, die worden samengevoegd met andere organische reststromen uit de agrarische sector en de voedingsmiddelenketen. Dit proces heet co-vergisting. Vrijkomend biogas wordt ingezet voor de opwekking van energie.